Definitie handicap

De definitie van een handicap vinden we in artikel 2, 2° van het basisdecreet van het VAPH (07.05.2004): 

“Elk langdurig en belangrijk participatieprobleem van een persoon dat te wijten is aan de combinatie tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en persoonlijke en externe factoren.”

De VAPH-definitie vertoont een duidelijke relatie met internationale definities, ook met deze in de nieuwe Internationale Classificatie van het Menselijk Functioneren, afgekort ICF (International Classification of Functioning, Disability and Health), gepubliceerd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO). Deze ICF is de revisie van de ICIDH (International Classification of Impairments, Disabilities and Handicaps) en de volwaardige en compatibele aanvulling op de ICD (International Classification of Diseases and Related Health Problems). 
Voor de definitie (ernst en langdurigheid) en voor de classificatie van psychische stoornissen (o.m. gedrags- en emotionele stoornissen) baseert het VAPH zich ook op de DSM-IV-TR. Voor de bepaling van een verstandelijke handicap oriënteert het VAPH zich op de definitie van de American Association on Intellectual and Developmental Disabilities (AAIDD).

De Provinciale Evaluatiecommissie (PEC) en, bij vraag tot heroverweging, de Heroverwegingscommissie (HOC) beslist of de betrokkene aan deze voorwaarden voldoet. Het is niet zo dat iedereen die bepaalde ongemakken ondervindt, in aanmerking komt voor hulp van het VAPH. Om de mogelijkheid tot erkenning als persoon met een handicap van iemand na te gaan, dient men dus af te toetsen of voldaan is aan de criteria die de definitie vooropstelt. Let wel: het hebben van een handicap is één voorwaarde om erkend te worden als PmH. Een andere criterium is bijvoorbeeld de leeftijdsgrens.


1.  Criteria

De definitie stoelt op de Internationale Classificatie van het Menselijk Functioneren (ICF), waarin drie begrippen worden gehanteerd: ‘stoornis’, ‘beperkingen’ en ‘maatschappelijk participatieprobleem’. Het VAPH hanteert de definitie ‘handicap’, waarin deze drie begrippen vervat zitten.

1.1.  Stoornis - beperkingen - maatschappelijk participatieprobleem

•  Stoornis: afwijkingen in of verlies van functies of anatomische eigenschappen (tgv. een ziekte, ongeval,…)
•  Beperkingen: moeilijkheden die iemand heeft met het uitvoeren van activiteiten als gevolg van een stoornis
•  Maatschappelijk participatieprobleem: de sociale dimensie van de begrippen stoornissen en beperkingen
•  Handicap: combinatie van deze drie begrippen

•  Stoornis: 
Dit is niet hetzelfde als ziekte of aandoening. Een ziekte of aandoening kan wel stoornissen van functies of organen tot gevolg hebben. Bijvoorbeeld: diabetes mellitus, een ziekte, kan stoornissen tot gevolg hebben t.h.v. de bloedvaten (macro- en micro-angiopathie), de nieren (nefropathie), de zenuwen (neuropathie), de ogen (retinopathie), enz. Op dit vlak is medische evaluatie, in de vorm van een diagnose, en het uitvoeren van functionele tests belangrijk. Het kan om elke soort stoornis gaan: geen enkele ziekte of aandoening wordt als oorzaak uitgesloten. Het VAPH werkt niet met een lijst van “erkende” aandoeningen; een welbepaalde diagnose is een noodzakelijke, maar onvoldoende voorwaarde om te kunnen spreken van een ‘persoon met een handicap’. Alles hangt af van de impact van de stoornis op de maatschappelijke participatie.

•  Beperkingen: 
De stoornis leidt dus (in principe) tot beperkingen. Eén van de vuistregels om de 'ernst' hiervan in te schatten, is het beoordelen van de nood aan specifieke, bijzondere hulpmiddelen of ondersteuning door personen. 

•  Maatschappelijk participatieprobleem: 
Handicap wordt in de ICF omschreven als 'participatieproblemen': problemen die iemand heeft met het deelnemen aan het maatschappelijk leven. Een 'participatieprobleem' kan ook afhangen van leeftijd, omgevingsfactoren, … Indien de omgevingsfactoren als oorzaak dominant zijn, behoort de persoon niet tot de doelgroep van het VAPH.

•  Handicap:
Om te voldoen aan de definitie van handicap, is het hebben van een stoornis een noodzakelijke, maar onvoldoende voorwaarde. Hetzelfde geldt voor de twee andere begrippen. Omdat het begrip 'handicap' heel wat verschillende aspecten inhoudt, is voor evaluatie ervan een multidisciplinaire benadering nodig.


1.2.  Langdurigheid en belangrijkheid

Het hebben van een stoornis is een noodzakelijke, maar onvoldoende voorwaarde. Volgens de definitie moeten de participatieproblemen, alsook de beperkingen langdurig en belangrijk zijn.

•  Langdurig: chronisch of definitief
•  Belangrijk: nood aan bijzondere ondersteuning, bijzondere omkadering en dergelijke

De symptomen kunnen dus met therapie niet zodanig beïnvloed worden dat de aandoening weinig of niet storend wordt en geen handicap meer tot gevolg heeft. Dit betekent daarom nog niet genezen, wat het verdwijnen van de ziekte betekent. Er mag niet te snel gezegd worden dat de stoornis behandelbaar is, als argument tot het niet-bestaan van een handicap. Er dient de nodige subtiliteit aan de dag gelegd te worden bij het opstellen van een motivering.
In theorie kan een handicap tijdelijk zijn, in tegenstelling tot ‘invaliditeit’. Het komt (weliswaar zelden) voor dat een Evaluatiecommissie van mening is dat een persoon bij een nieuwe aanvraag geen handicap meer heeft. De situatie is dan, tegen alle verwachtingen in, zodanig (gunstig) geëvolueerd dat men niet meer van een handicap mag spreken.

2 Evolutieve aandoeningen

2.1 Algemeen

Soms zijn beperkingen het gevolg van evolutieve aandoeningen. Om te voorkomen dat een persoon steeds opnieuw bij een nieuwe opstoot nieuwe aanvragen zou moeten formuleren, kan het best een inschatting gemaakt worden van wat naar alle waarschijnlijkheid noodzakelijk zal zijn op termijn. Voor progressieve aandoeningen kan een evolutieverslag uitkomst bieden en een indicatie geven in hoeverre men rekening dient te houden met het evolutieve karakter van de aandoening bij de toekenning van het interventieniveau. Zeker voor mensen met een snel degeneratieve aandoening is het aangewezen om de functiebeperking en het interventieniveau al proactief toe te kennen. Zo wordt het administratieve traject bij een volgende IMB-vraag zo kort mogelijk. Dit is noodzakelijk om tegemoet te komen aan de nood van deze mensen om snel over de nodige hulpmiddelen, aanpassingen en ondersteuning te beschikken. 

Mogelijks zijn aandoeningen of functionele toestanden op het ogenblik van de aanvraag nog niet gestabiliseerd, bijvoorbeeld tijdens een intensieve revalidatieperiode. De vragen zijn dan vaak voorbarig, maar een algemene regel naar voren schuiven om het uiteindelijke functionele niveau in te schatten, is moeilijk. In dergelijke gevallen mag men geen functiebeperking of interventieniveau proactief toekennen. Er bestaat wel een vuistregel, dat na zes maanden behandeling en revalidatie vaak geen uitgesproken functionele wijzigingen meer te verwachten zijn.


2.2 Toekennen van VAPH-ondersteuning

Soms treedt bij personen met een evolutieve aandoening na een zware opstoot, terug een vrij goede recuperatie op, maar wil men uit voorzorg toch reeds zijn woning aanpassen. 
Het menselijk aspect is sowieso erg belangrijk in deze dossiers. Elke situatie moet apart bekeken worden. De maatschappelijk assistent van het VAPH kan dikwijls duidelijk schetsen wat de noden zijn. De zorgvragen die het MDT stelt, zijn niet altijd nodig. De toestand op het moment van de behandeling van het dossier is de basis, maar elk dossier wordt sowieso individueel bekeken door de geneesheren in overleg.

De meest fundamentele woningaanpassingen vallen onder het interventieniveau en de functiebeperking “Vervanging Onderste Ledematen” (VOL). De betrokkene dient in principe dus rolstoelgebruiker te zijn vooraleer VOL kan toegekend worden. Indien aan de betrokkene in eerste instantie “Aanvulling Onderste Ledematen” (AOL) is toegekend, kan men reeds een aantal aanpassingen laten doorvoeren. Indien er later nog grotere kosten volgen, kan VOL toegekend worden. 

In samenspraak tussen het team, de maatschappelijk assistent en het KOC kunnen toekenningen gebeuren in functie van het evolutief karakter van de aandoening. In sommige gevallen is betrokkene echter nog niet aan deze boodschap (evolutie van de aandoening) toe. Een therapeut die een goede relatie heeft met betrokkene kan hierin een belangrijke rol spelen.

In de praktijk

Voor sommige personen met een progressieve aandoening kan het confronterend zijn om deze proactieve toekenning van het interventieniveau te lezen in de beslissing. In dergelijke situaties is de afspraak om het interventieniveau wel in de notulen van de PEC of de HOC te vermelden, maar niet in de beslissing die aan de betrokkene wordt gecommuniceerd.


3.  Handicap versus invaliditeit

Om van ‘handicap’ te spreken, werkt het VAPH noch met percentages van handicap, noch met invaliditeitsschalen. 
Hoewel deze informatie een belangrijke indicatie van handicap kan geven, krijgt het begrip ‘handicap’ bij het VAPH in wezen een andere invulling dan ‘arbeidsongeschiktheid’, ‘verlies van verdienvermogen’ of ‘invaliditeit’. Het VAPH kan bijgevolg geen 'attesten' m.b.t. invaliditeit afleveren, hoogstens een attest van 'gunstige beslissing'. Hierdoor wordt de aanvrager namelijk impliciet erkend als 'persoon met een handicap'.




Heb je vragen of opmerkingen over dit onderwerp?
Mail naar indicatiestelling@vaph.be
Comments