Dyspraxie

1.  Wat is dyspraxie

Dyspraxie is een stoornis bij het correct verwerken van informatie in de hersenen. Dit leidt tot moeilijkheden op vlak van motorische vaardigheden, in het bijzonder bij het uitvoeren van een taak waarvoor oefening nodig is of bij acties die niet in de hersenen geprogrammeerd zijn (zoals het schillen van een sinaasappel, het aantrekken van een jas en het papiertje van een snoepje halen). Vaak gaat ‘dyspraxie’ gepaard met stoornissen o.v.v. spraak, taal, waarnemen, denken en gevoelige tastzin. De oorzaak is vermoedelijk te zoeken in een onvolgroeidheid of vertraging in de ontwikkeling van neuronen.

1.1. Dyspraxie versus apraxie

“Dyspraxie” (afgeleid van het Griekse woord praxis, handeling) is oorspronkelijk een neurologische term, die ‘lichtere vorm van apraxie’ betekent (“dys-…” = vermindering van het vermogen, “a-…” = verlies van het vermogen). 

Apraxie is een neuropsychologische stoornis als gevolg van hersenletsels, met name het onvermogen tot het uitvoeren van doelbewuste handelingen of samengestelde bewegingen, bij afwezigheid van spierverlammingen of sensorische stoornissen. De coördinatie die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de doelgerichte handeling of beweging, ontbreekt in dat geval.

Er worden verschillende types apraxie onderscheiden:
- Motorische apraxie: onhandigheid bij intacte bewegingsmogelijkheden
- Constructieve apraxie: stoornis in het tekenen of het bouwen van ruimtelijke patronen
- Ideomotorische apraxie: stoornis in het uitvoeren van bewegingen op verzoek; het bewegingsplan is aanwezig, maar de uitvoering van de verschillende bewegingen lukt niet
- Ideatoire apraxie: stoornis in het plannen van de opeenvolgende bewegingen, terwijl de afzonderlijke bewegingen wel uitgevoerd kunnen worden
- Ideationele apraxie: stoornis in het juist hanteren van voorwerpen bij intacte bewegingsmogelijkheden
- Faciale apraxie: onvermogen om op verzoek gezichtsuitdrukkingen aan te nemen
- Verbale apraxie: onvermogen om spraakklanken te produceren bij intacte mondmotoriek

1.2. Ontwikkelingsdyspraxie

Vooral bij kinderen wordt dyspraxie vaak aangeduid als DCD (Developmental Coördination Disorder) of “ontwikkelingsdyspraxie”. Er treden problemen op met het goed op elkaar afstemmen en coördineren van de bewegingen, waardoor de motorische ontwikkeling vertraagd verloopt t.o.v. de algemene ontwikkeling. Er is comorbiditeit met andere stoornissen, zoals onder meer ADHD, PDD-NOS, leerstoornissen en stotteren. Andere (verouderde) benamingen van ontwikkelingsdyspraxie zijn: MBD (minimal brain dysfunction, minimal brain damage), Sensory Motor Disorder, Sensory Integration Dysfunction, Perceptuo-Motor Difficulty, Clumsy Child Syndrome & DAMP (Deficits in Attention, Motor control and Perception).

1.3. Symptomen

Mensen met (ontwikkelings)dyspraxie vertonen beperkingen op vlak van sommige onderstaande vaardigheden:

•  Planning: Onvermogen om taken te plannen en uit te voeren. Elke nieuwe taak moet worden geleerd en herhaald tot het een automatisme is.
•  Organiseren en ordenen: Problemen met de volgorde van handelingen. Het probleem treedt ook op bij het vertellen van een verhaal.
•  Fijne motoriek: Problemen met schrijven, tekenen, spelen met lego, het maken van legpuzzels, schoenen vastmaken, …
•  Grove motoriek: Problemen met fietsen, het gooien en vangen van een bal, … Motorische mijlpalen worden vertraagd bereikt of overgeslagen.
•  Ruimtelijk bewustzijn: Beperking in het besef waar men zich bevindt in relatie tot de omgeving.
•  Bewustzijn van het eigen lichaam: Gebrek aan bewustzijn van de verschillende lichaamsdelen of dat het lichaam twee kanten heeft. Dit vertaalt zich naar een verlate keuze van de dominante      hand, moeilijkheden met schrijven enz. …
•  Gevoelige tastzin: Lichte aanrakingen wordt als pijnlijk afgeweerd en harde, ruwe aanrakingen zijn welkom.
•  Concentratie: Beperkte concentratiespanne. Met het ouder worden, wordt deze tijd wel langer.
•  AandachtVelen zoeken aandacht. Bij sommigen is het moeilijk om de aandacht te trekken, of anderen gaan te veel op in wat ze doen. Differentiaaldiagnostiek kan nodig zijn om ADHD uit te sluiten. 
•  EmotiesVaak zijn kinderen erg onvolwassen en worden emoties overdreven.
•  GedragOnvolwassen gedrag. Sommigen weten niet welk gedrag van hen wordt verwacht, of misdragen zich door problemen met tijd, de tastzin of het ruimtelijke bewustzijn.
•  Fobieën en obsessiesKomt vaak voor.
•  Spraak en taalSpraak wordt soms langzaam aangeleerd, sommige klanken moeten worden aangeleerd omdat er een gebrek is aan coördinatie van de mondbewegingen (= verbale ontwikkelingsdyspraxie). Sommigen hebben geen besef van volume, en schreeuwen.
•  WaarnemingProblemen met het waarnemen van de wereld om zich heen (grootte, snelheid, vorm, kleur en tijd). 
•  Gebrekkige oog-handcoördinatie
•  LerenProblemen met schrijven of lezen. De meerderheid heeft een gemiddelde intelligentie, maar heeft een probleem om dit uit te drukken in taal.
•  HandschriftSchrijfproblemen door problemen met de motoriek en de coördinatie. Het handschrift kan slechter worden als het kind ouder wordt, omdat het dan sneller gaat denken en sneller probeert te schrijven.
•  GeheugenProblemen met het korte termijn geheugen. Het lange termijn geheugen werkt uitstekend, in het bijzonder voor triviale gebeurtenissen.

1.4. Prognose

Men gaat er meestal van uit dat kinderen met DCD over de problemen heen groeien, maar dit blijkt niet altijd zo te zijn. Bij het ouder worden, leren kinderen strategieën aan om met de beperkingen om te gaan, leren ze vermijdingstechnieken of specifieke vaardigheden aan. Dit betekent echter niet dat de coördinatie verbeterd is: er wordt slechts één vaardigheid geleerd. Bij volwassenen met DCD werd vroeger vaak geen diagnose gesteld. Zij vertonen beperkingen op vlak van organiseren, zelfzorg en vaardigheden zoals de opvoeding van kinderen, autorijden, etc…

1.5. Behandeling

DCD is niet te genezen. Wel kan men de beperkingen verlichten door het aanleren en trainen van (compenserende) vaardigheden, door het zelfvertrouwen te verhogen en de handicap te leren accepteren. Meerdere disciplines kunnen hierbij betrokken zijn: (revalidatie)artsen, logopedisten, psychomotorisch therapeuten, kinesisten, ergotherapeuten, orthopedagogen, …


2.  Wijze van diagnosestelling

DCD is geen neurologische diagnose, maar een klinische motorische functionele diagnose, d.w.z. een klinische beschrijving van de motoriek. De diagnose komt meestal tot stand na multidisciplinair onderzoek door een kinderneuroloog en een kinesitherapeut of ergotherapeut. 

2.1. Diagnostische criteria

In de DSM-IV-TR wordt (ontwikkelings)dyspraxie aangeduid als “Coördinatieontwikkelingsstoornis”. Volgende criteria leiden tot de diagnose DCD:

A.  De uitvoering van dagelijkse bezigheden, waarvoor coördinatie van de motoriek vereist is, ligt aanzienlijk onder het te verwachten niveau dat hoort bij de leeftijd en de gemeten intelligentie van betrokkene. Dit kan tot uiting komen door duidelijke vertragingen in het bereiken van de mijlpalen van de motorische ontwikkeling (bijvoorbeeld lopen, kruipen, zitten), dingen te laten vallen, onhandigheid, slechte sportprestaties of een slecht handschrift. 
B.  De stoornis van criterium A interfereert in significante mate met de schoolresultaten of de dagelijkse bezigheden. 
C.  De stoornis is niet het gevolg van een somatische aandoening (bijvoorbeeld de ziekte van Parkinson, hemiplegie of spierdystrofie) en voldoet niet aan de criteria van een pervasieve ontwikkelingsstoornis.
D.  Indien er sprake is van zwakzinnigheid dan zijn de motorische problemen ernstiger dan die welke hierbij gewoonlijk horen.


3.  Toetsing aan de definitie van handicap

Geen enkele aandoening of stoornis is uitgesloten als oorzaak van een handicap. Wanneer een ernstige vorm van dyspraxie leidt tot ernstige beperkingen op verschillende levensdomeinen, die leiden tot een langdurige en belangrijke vermindering van de kansen tot sociale integratie, gaat het om een handicap in de zin van het decreet. Accurate diagnosestelling is onontbeerlijk om dit na te gaan. 


4.  Toekenning van VAPH-ondersteuning

Gelet op de vaak atypische kenmerken en de onduidelijke afgrenzing t.o.v. “normale” ontwikkeling, bevindt deze groep zich aan de rand van de doelgroep van het VAPH. De ondersteuning behoort eerder tot het domein van de ‘ontwikkelingsrevalidatie’, en voor ernstiger gevallen buitengewoon onderwijs. Bij zeer uitgesproken beperkingen met duidelijke impact op de maatschappelijke participatie kan eventueel beroep gedaan worden op VAPH-ondersteuning. Vervolgens kan een ambulante begeleiding aangewezen zijn om de betrokkene compenserende vaardigheden aan te leren. 


Heb je vragen of opmerkingen over dit onderwerp?
Mail naar indicatiestelling@vaph.be
Comments