Evolutieve aandoeningen

1.  Algemeen

Soms zijn beperkingen het gevolg van evolutieve aandoeningen. Om te voorkomen dat een persoon steeds opnieuw bij een nieuwe opstoot nieuwe aanvragen zou moeten formuleren, kan het beste een inschatting gemaakt worden van wat naar alle waarschijnlijkheid noodzakelijk zal zijn op termijn. Voor progressieve aandoeningen kan een evolutieverslag uitkomst bieden en een indicatie geven in hoeverre men dient rekening te houden met het evolutieve karakter van de aandoening bij de toekenning van het interventieniveau. Zeker voor mensen met een snel degeneratieve aandoening is het aangewezen om de functiebeperking en het interventieniveau al proactief te kennen. Zo wordt het administratieve traject bij een volgende vraag hulpmiddelen en aanpassingen zo kort mogelijk. Dit is noodzakelijk om tegemoet te komen aan de nood van deze mensen om snel over de nodige hulpmiddelen, aanpassingen en ondersteuning te beschikken.

Mogelijks zijn aandoeningen of functionele toestanden op het ogenblik van de aanvraag nog niet gestabiliseerd, bijvoorbeeld tijdens een intensieve revalidatieperiode. De vragen zijn dan vaak voorbarig, maar een algemene regel naar voren schuiven om het uiteindelijke functionele niveau in te schatten is moeilijk. In dergelijke gevallen mag men geen functiebeperking of interventieniveau proactief toekennen. Er bestaat wel een vuistregel, dat na zes maanden behandeling en revalidatie vaak geen uitgesproken functionele wijzigingen meer te verwachten zijn.


2. Toekenning van VAPH-ondersteuning

Soms treedt bij personen met een evolutieve aandoening na een zware opstoot terug een vrij goede recuperatie op, maar wil men uit voorzorg toch reeds zijn woning aanpassen.

Het menselijk aspect is sowieso erg belangrijk in deze dossiers. Elke situatie moet apart bekeken worden. De maatschappelijk assistent van het VAPH kan dikwijls duidelijk schetsen wat de noden zijn. De zorgvragen die het MDT stelt zijn niet altijd nodig. De toestand op het moment van de behandeling van het dossier is de basis, maar elk dossier wordt sowieso individueel bekeken door de geneesheren in overleg. 

De meest fundamentele woningaanpassingen vallen onder het
interventieniveau en de functiebeperking “Vervanging Onderste Ledematen” (VOL). De betrokkene dient in principe dus rolstoelgebruiker te zijn vooraleer VOL kan toegekend worden. Indien aan de betrokkene in eerste instantie “Aanvulling Onderste Ledematen” (AOL) is toegekend, kan men reeds een aantal aanpassingen laten doorvoeren. Indien er later nog grotere kosten volgen, kan VOL toegekend worden. 

In samenspraak tussen het team, de maatschappelijk assistent en het KOC kunnen toekenningen gebeuren in functie van het evolutief karakter van de aandoening. In sommige gevallen is betrokkene echter nog niet aan deze boodschap (evolutie van de aandoening) toe. Een therapeut die een goede relatie heeft met betrokkene kan hierin een belangrijke rol spelen. 

In de praktijk 

Voor sommige personen met een progressieve aandoening kan het confronterend zijn om deze proactieve toekenning van het interventieniveau te lezen in de beslissing. In deze situaties is de afspraak om het interventieniveau wel in de notulen van de
Provinciale Evaluatiecommissie of Heroverwegingscommissie te vermelden, maar niet in de beslissing die aan de betrokkene wordt gecommuniceerd.



Heb je vragen of opmerkingen over dit onderwerp?
Mail naar indicatiestelling@vaph.be


Comments