Ruglijden

1.  Wat is ruglijden

In de voorbije tien jaar raadpleegde nagenoeg ¼ van de patiënten tussen de 18 en 75 jaar de huisarts voor lage rugpijn. In 90% van de gevallen is er binnen de 6 weken sprake van spontaan herstel. Bij 2 tot 7 % van de gevallen ontwikkelt er zich CLRP (chronisch lage rugpijn). De meest frequente diagnose luidt discushernia zonder radiculopathie.

De incidentie blijft stabiel (51.44/1000 patiënten per jaar – elke arts met een praktijk van 1000 patiënten ziet wekelijks één nieuw geval). CLRP komt meer voor bij vrouwen dan bij mannen en kent een piek tijdens de leeftijd 50 tot 54 jaar. 

Er zijn verschillende behandelingsmethoden om chronisch ruglijden te verhelpen. De meest doeltreffende behandeling vertrekt vanuit een multidisciplinaire benadering die oefenprogramma’s combineert met psychologische en/of sociale opvang en waarbij er wordt aangestuurd op het zo spoedig mogelijk hervatten van het werk en de maximale voortzetting van de gewone activiteiten. 


2.  Toetsing aan de definitie van handicap

Men kan maar spreken van een handicap bij CLRP als men de volledige behandeling heeft doorlopen. Zolang dit proces niet doorlopen is, spreekt men van een behandelbare problematiek. Het gebruik van een morfinepomp of dergelijke geeft niet altijd een indicatie over de ernst. 

Ruglast op zich is niet voldoende voor een erkenning als persoon met een handicap. De PEC moet over elke aanvraag individueel oordelen, maar er zijn wel enkele elementen die kunnen pleiten voor het bestaan van een handicap:
  • ernstige chronische pijn waarbij pijnstillers niet helpen of enkel effect bereikt wordt met ingrijpende middelen (opiaten, transcutane zenuwstimulatie, pijnstillingspomp…), behandeling in pijncentrum;
  • herstellende heelkundige ingreep is geen optie meer (bv. na ‘failed back surgery’: Hiermee wordt de toestand van personen bedoeld bij wie operaties(s) aan de wervelkolom onvoldoende resultaat opleverde(n). De pijn keert dus terug, maar de vaak ingrijpende rugchirurgie heeft een toestand van ‘niet-operabiliteit’ gecreëerd. Elke nieuwe ingreep zou gepaard kunnen gaan met groot gevaar voor ernstige verwikkelingen);
  • geobjectiveerde (bv. met EMG onderzoek) definitieve neurologische uitvalsverschijnselen (stoornissen van de sensibiliteit, krachtsverlies);
  • beperkingen in bewegingsmogelijkheden (bv. bij Bechterew) of door houdingsafwijkingen (bv. scoliose).
Men moet ook altijd nagaan of er mogelijkheden zijn tot behandeling en dit vanuit het oogpunt dat een participatieprobleem ‘langdurig’ moet zijn. Erkenning van de handicap kan dan enkel wanneer is aangetoond dat de problematiek volledig is uitbehandeld (volgens biopsychosociaal model). Het oordeel van een arts is heel belangrijk in dergelijke dossiers. Iemand die geen uitvalsverschijnselen vertoont, wordt meestal niet erkend als persoon met een handicap.

Deze personen kunnen enkel in aanmerking komen voor hulpmiddelen en aanpassingen. 


Heb je vragen of opmerkingen over dit onderwerp?
Mail naar indicatiestelling@vaph.be
Comments