Visuele stoornis

1.  Wat is een visuele stoornis

1.1. Slechtziendheid

Er bestaan zeer veel vormen en gradaties van slechtziendheid naargelang het type oogafwijking en de mate waarin het zich voordoet. Daardoor zijn er tal van visuele beperkingen met elk hun specifieke functionele beperkingen.

  • Aandoeningen met centrale gezichtsvelddefecten: deze hebben vaak een belangrijke vermindering van de gezichtsscherpte tot gevolg. Mogelijke oorzaken: ziekte van Stargardt, glaucoom, kegeldystrofie, congenitale toxoplasmose, …
  • Aandoeningen met perifere gezichtsvelddefecten: slechts bij een belangrijk verlies van het perifeer gezichtsveld treden visueel functionele beperkingen op. Mogelijke oorzaken: kokerzien door retinitis pigmentosa, glaucoom, oogzenuwatrofie, hemianopsie door hersentumor, tumor van het chiasma opticum, beschadiging van de visuele hersenschors, …
  • Aandoeningen zonder gezichtsvelddefecten: de slechtziende heeft een goed overzicht maar een onscherp beeld. Bepalend voor de mobiliteit en lezen is de graad van gezichtsscherpte-vermindering en contrastgevoeligheid. Mogelijke oorzaken: cataract, bijziendheid, albinisme, …

1.2. Blindheid

Er is geen bruikbare praktische restvisus meer aanwezig. Binnen het begrip blindheid kan nog verder onderscheid gemaakt worden volgens wel of geen lichtperceptie, vroeg of laatblind,…

In bepaalde gevallen kan blindheid tijdelijk optreden maar die verdwijnt meestal weer snel: bv. sneeuwblindheid door blootstelling aan fel licht, amaurosis fugax (door vaatkramp of bloedprop wordt de bloedtoevoer naar het oog aangetast), door glasvochtbloeding en door aandoeningen die druk op de oogzenuw uitoefenen.

‘Blindheid’ komt soms ook voor bij een conversiestoornis (zeldzaam).


1.3. Centraal visuele inperking (CVI) 

Er wordt gesproken over CVI wanneer de oorzaak van de visuele inperking gelegen is in de visuele projectiebanen die het netvlies verbinden met de visuele hersenschors voorbij het chiasma opticum of in de visuele hersenschors zelf. Wanneer de oorzaak van de visusbeperking in het oog ligt, spreekt men van een oculaire visuele inperking (OVI). Bij kinderen, waar het visuele systeem nog volop in ontwikkeling is, kan een OVI een CVI veroorzaken door sensoriële deprivatie.

Afhankelijk van de precieze locatie van de oorzaak is er sprake van CVI met of zonder slechtziendheid. CVI zonder slechtziendheid wordt bij volwassenen vaak agnosie in brede zin genoemd, bij kinderen vaak ontwikkelingsagnosie. Onder agnosie verstaan we het verlies van het vermogen om personen, voorwerpen, geluiden, … te herkennen. Bij kinderen is CVI meestal aangeboren, maar het kan ook verworven zijn.

De L94 is een test die zeer gevoelig is voor stoornissen in de functionele visuele waarneming van kinderen binnen het leeftijdsbereik van 2,5 jaar t.e.m. 6,5 jaar. De test is zo opgesteld dat hij een onderscheid kan maken tussen een slechte prestatie op de test ten gevolge van een algemene cognitieve problematiek ofwel ten gevolge van een specifieke functionele inperking van de visuele waarneming. 


2.  Wijze van diagnostiek

Vaak wordt de gezichtsscherpte (ook wel visus genoemd) gebruikt om de mate van slechtziendheid aan te geven, hoewel dit strikt genomen niet helemaal correct is. Bij slechtziendheid kunnen immers ook andere aspecten van de visuele waarneming aangetast zijn (bv. de grootte van het gezichtsveld: Het gezichtsveld is de verzameling van alle punten [voorwerpen, vlakken] in de ruimte die bij fixatie op 1 punt gelijktijdig door dat oog worden waargenomen. Het gezichtsveld van 1 oog reikt zijdelings tot 90°, neuswaarts tot 60° en onder tot 70°. Het gezichtsveld wordt voor elk oog afzonderlijk bepaald. Vanuit functioneel standpunt echter is de gezichtsbepaling bij tweeogig zien ook belangrijk, aangezien een gezichtsvelddefect van 1 oog kan gecompenseerd worden bij tweeogig zien. We zien slechts met de centrale 10° scherp [gele vlek]) zonder dat de gezichtsscherpte verlaagd is.

De gezichtsscherpte of visus is een maat voor de kleinste details die iemand nog kan onderscheiden. Een oog wordt normaal genoemd als de visus 10/10 is. Personen met een visus van 5/10 moeten alles van tweemaal zo dichtbij bekijken om hetzelfde te kunnen zien, personen met een visus van 1/10 moeten tien maal dichterbij gaan staan enzovoort. Als er bij zeer lage visus geen echte getalswaarde meer aan te geven is, dan wordt de gezichtsscherpte ook wel aangeduid als "het kunnen zien van handbewegingen" of "het kunnen tellen van opgestoken vingers " op bijvoorbeeld 1 meter afstand.

In de onderstaande tabel (criteria WGO) worden graad 1 en 2 als slechtziendheid aangeduid; graden 3, 4 en 5 als blindheid. Als men ook de grootte van het gezichtsveld in aanmerking neemt, zijn personen met een gezichtsveld tussen 5° en 10° rond het centrale fixatiepunt graad 3, en personen met een gezichtsveld van maximaal 5° graad 4, zelfs bij onverminderde centrale visus.

Tabel. Graad van visuele beperking
Graad van visuele beperking


3.  Toetsing aan de definitie van handicap

Zowel bij slechtziendheid als bij blindheid kan er gesproken worden van een handicap. Blindheid/slechtziendheid kan tijdelijk zijn en in sommige gevallen kan het zelfs behandeld worden (bv. blindheid door cataract). Algemeen kan gesteld worden dat mensen in dergelijke gevallen ook geen vraag zullen richten aan het VAPH.

3.1. Visusverlies aan één oog

Bij het VAPH houdt men rekening met beperkingen en participatieproblemen. De persoon dient te beantwoorden aan de definitie van handicap.
Zo kan het verlies van de functie van één oog een stoornis van het dieptezicht met zich meebrengen, wat een belangrijke kwaliteit is van het zien in het dagelijks leven (huishouden, stappen, verkeer…). Diepte zien is echter ook mogelijk met slechts één oog (door gebruik van info zoals lichtinval, kleurverschil, schaduwvorming, kleiner worden van het beeld, …).

Functieverlies aan één oog van bij de geboorte wordt bovendien soms volledig gecompenseerd, waardoor de persoon er geen last door ondervindt. Een persoon met slechts één functioneel oog met een eerste vraag om ondersteuning bij het VAPH zal dan ook eerder uitzonderlijk in aanmerking komen om erkend te worden als persoon met een handicap, o.w.v. het ontbreken van ernstige beperkingen.

Dergelijke persoon komt niet in aanmerking indien:
  • het verlies reeds lang bestaat, en hij/zij zich volkomen aangepast heeft;
  • er geen stoornissen zijn t.h.v. het goede oog (dat dus nog kan compenseren).

3.2. Aanvragen IMB
  • Aanvulling: refertegroep ‘slechtzienden’ (“low vision”) volgens WGO-normen: gezichtsscherpte met optimale correctie tussen 3/10 en 1/20. 
  • Vervanging: refertegroep ‘blinden’ volgens WGO-normen: gezichtsscherpte met optimale correctie minder dan 1/20, gezichtsveld 10° rond centraal fixatiepunt of minder. Grensgevallen kunnen ter discussie staan. De mening van een specialist ter zake (bv. arts van revalidatiecentrum voor visus of low-vision centrum) is hierbij doorslaggevend. 
Een slechtziende kan nog nuttig gebruik maken van zijn ogen, mits ondersteuning met low-vision hulpmiddelen. Blinden zijn aangewezen op hulpmiddelen en strategieën, die de functie van de ogen vervangen (zie ook definitie WGO).


Heb je vragen of opmerkingen over dit onderwerp?
Mail naar indicatiestelling@vaph.be
Comments