Toekenning van een prioriteitengroep

De Regionale Prioriteitencommissie (RPC) beslist over de toekenning van een prioriteitengroep. De RPC baseert zich voor deze beslissing op de gegevens die worden aangeleverd door het MDT in de checklist prioritering (module C). Daarnaast kan de persoon met een handicap of zijn wettelijke vertegenwoordiger, indien zij dit wensen, zelf antwoorden op vragen over de dringendheid van de vraag in het ondersteuningsplan PVB. Ook deze gegevens worden bezorgd aan de RPC.

De RPC oordeelt over de prioriteit van een vraag op basis van de volgende twee afwegingen:
  • Afweging 1: De noodzaak tot onmiddellijke terbeschikkingstelling van een persoonsvolgend budget en de mate waarin met deze terbeschikkingstelling een einde kan gemaakt worden aan een situatie die al langere tijd onhoudbaar is. Bij deze afweging maakt de RPC twee inschattingen:
    • grootte van de kloof tussen de huidige ondersteuning en de gewenste ondersteuning;
    • mate van dringendheid van de vraag naar een persoonsvolgend budget.
  • Afweging 2: Het honoreren van de bovengebruikelijke zorg (waarbij familieleden, vrienden en informele contacten zorg bieden dan redelijkerwijze van hen verwacht kan worden). Bij deze afweging maakt de RPC twee inschattingen:
    • mate van bovengebruikelijke zorg in de huidige situatie;
    • mate van langdurige bovengebruikelijke zorg in het verleden. 
 Meer informatie over de wettelijk vastgelegde criteria die de RPC hanteert bij het bepalen van de prioriteitengroep: Beoordelingscriteria RPC

De beoordeling van bovenstaande afwegingen wordt geplaatst binnen een prioriteringsproces, dat doorlopen wordt met een uitgewerkte beslissingsboom die binnen elke RPC op dezelfde wijze wordt toegepast. Deze beslissingsboom leidt na het beoordelingsproces tot één van de drie prioriteitengroepen:
  • Prioriteitengroep 1
  • Prioriteitengroep 2
  • Prioriteitengroep 3
Het indelen van aanvragen in verschillende prioriteitengroepen is erop voorzien dat aanvragen in een hogere prioriteitengroep ook respectievelijk een kortere wachttijd kennen tot aan de terbeschikkingstelling van het persoonsvolgend budget. Concreet houdt dit in dat de wachttijd in prioriteitengroep 1 het kortst is en die in prioriteitengroep 3 het langst. Momenteel is het nog niet mogelijk om een specifiekere inschatting van de wachttijd binnen elke prioriteitengroep te maken. Deze inschatting zal pas gemaakt kunnen worden wanneer er voldoende monitoringsgegevens beschikbaar zijn en er voldoende kennis is over de verdeling van de beschikbare middelen. 

I
n 2017 zullen er vermoedelijk onvoldoende budgettaire middelen zijn om nog budgetten te kunnen toekennen aan personen die met een PVB-vraag op de wachtlijst geregistreerd staan. De onderhandelingen voor de verdeling van de budgettaire middelen in 2018 en 2019 zijn momenteel nog lopende. Hierbij worden de initiële keuzes uit 2016 bij de start van de persoonsvolgende financiering opnieuw geëvalueerd. Vanaf begin 2018 wordt meer duidelijkheid verwacht omtrent de politieke beslissingen.


Heb je vragen of opmerkingen over dit onderwerp?
Mail naar prioritering@vaph.be