Procedure voor de aanvraag van hulpmiddelen

De aanvraagprocedure voor hulpmiddelen en aanpassingen kan verschillen naargelang de leeftijd van de aanvrager (minderjarig of meerderjarig) of het gevraagde hulpmiddel, aanpassing of ondersteuning. Meer informatie omtrent de gewone procedure voor het aanvragen van individuele materiële bijstand vindt u in rubriek Aanvraagprocedures in procedurele module van de infowijzer. Enkele situaties waarin afgeweken wordt van de standaard procedure worden hieronder beknopt samengevat. 

1. Procedure minderjarigen

In het kader van de integrale benadering van de ondersteuning van minderjarigen (kortweg Integrale Jeugdhulp of IJH) werd de Intersectorale Toegangspoort (ITP) gecreëerd. In principe moeten alle aanvragen voor ondersteuning ten behoeve van een minderjarige via deze centrale toegangspoort ingediend worden. Vragen naar hulpmiddelen en/of aanpassingen voor minderjarigen blijven echter de bevoegdheid van het VAPH. Deze aanvragen moeten, afhankelijk van de situatie, soms wel eerst bij de Intersectorale Toegangspoort (ITP) en niet rechtstreeks bij het VAPH ingediend. 

1.1 Bevoegdheid van de ITP in het IMB-proces

De ITP beslist over de erkenning van de minderjarige als persoon met een handicap en de toekenning van de typemodule Individuele Materiële Bijstand (IMB). Deze typemodule is een algemene erkenning van de nood aan hulpmiddelen voor de minderjarige. Eenmaal deze typemodule is toegekend kan elke volgende IMB-vraag rechtstreeks bij het VAPH ingediend worden. 

Het VAPH beslist over de eventuele toekenning van functiebeperkingen en interventieniveaus en de tegemoetkomingen voor de specifiek gevraagde hulpmiddelen.

1.2 Hoe dient men een aanvraag in via de ITP

Een aanvraag bij de intersectorale toeganspoort moet ingediend worden via een erkend multidisciplinair team (MDT). Een lijst van de door de ITP erkende teams vindt u op de website van Jongerenwelzijn.

Wanneer men een hulpmiddelenvraag via de ITP indient, moet men een uitgebreid adviesrapport (module D) opmaken. Meer informatie hierover vindt u in de Helios-handleiding.

1.3 Welke aanvragen kunnen rechtstreeks bij het VAPH worden ingediend

Dit zijn alle IMB-vragen voor minderjarigen die:
  • vóór het opstarten van de ITP (1/03/2014) door het VAPH erkend waren als persoon met een handicap (ook wanneer zij nog niet eerder een IMB-vraag indienden)
of
  • door de ITP reeds eerder een erkenning als persoon met een handicap én een typemodule IMB toegekend kregen.

2. Uitzonderingsprocedure

Deze procedure voorziet in de mogelijkheid om een hulpmiddel of aanpassing uit de refertelijst toe te kennen aan iemand die hiervoor niet het interventieniveau of de juiste functiebeperking kreeg van de PEC maar wel overtuigend kon motiveren waarom dit door de behoefte die voortvloeit uit de handicap, noodzakelijk is voor zijn sociale integratie (art. 16 van het IMB-besluit).  

Deze maatregel moet niet specifiek aangevraagd worden via een speciale procedure. Wanneer men een hulpmiddel aanvraagt waarvoor het juiste interventieniveau en/of de juiste functiebeperking nog niet werd toegekend, zal de aanvraag steeds eerst aan de Provinciale Evaluatiecommissie (PEC) voorgelegd worden.

Met dit artikel wordt een oplossing geboden voor fictieve toekenningen van interventieniveaus  en functiebeperkingen door de PEC: de administratie van het agentschap kan beslissen tot tenlasteneming van hulpmiddelen die wel in de refertelijst staan vermeld, maar niet vallen onder het IN/FB die de PEC heeft toegekend. Het agentschap is daarbij gebonden aan de algemene IMB-beslissingscriteria zoals noodzaak, gebruikersfrequentie, doelmatigheid, refertebedrag in verhouding tot de handicap, enz. 

Deze uitzonderingsprocedure is bovendien ook van toepassing voor personen die van de PEC of de heroverwegingscommissie [HOC] geen enkele functiebeperking of interventieniveau kregen toegekend. Ook in dat geval kan de administratie van het agentschap beslissen tot tenlasteneming van hulpmiddelen die in de refertelijst vermeld staan als het agentschap vaststelt dat die hulpmiddelen door de behoefte die voortvloeit uit de handicap, noodzakelijk zijn voor de sociale integratie van de persoon met een handicap. Dit is echter een zeer uitzonderlijke situatie die zoveel als mogelijk vermeden dient te worden. Het is voor de klant immers verwarrend om wél erkend te worden als persoon met handicap, géén IN/FB toegekend te krijgen, maar wél te onderkennen dat een hulpmiddel noodzakelijk is voor de sociale integratie.

De uitzonderingsprocedure doet zich meermaals voor voor een aantal specifieke situaties. Hieronder worden een aantal voorbeelden opgelijst. Door dergelijke uitzonderingssituaties te inventariseren, kunnen op termijn refertelijstaanpassingen worden doorgevoerd die de uitzonderingsprocedure vermijden.

Anti-decubitusmateriaal
De referterubrieken antidecubituskussen en antidecubitusmatras zijn enkel terug te vinden in de refertelijst Vervanging Onderste ledematen. De medische cel geeft aan dat deze referterubrieken mogelijk ook noodzakelijk kunnen zijn voor personen met een ander interventieniveau of andere functiebeperkingen maar dat de extra doelgroepen moeilijk zijn af te lijnen. Het moet wel steeds gaan om personen waarbij er sprake is van een reëel decubitusrisico. De hulpmiddelenfiches vermelden enkele ruimere doelgroepen die hiervoor mogelijks in aanmerking kunnen komen.

Hoog-laag verzorgingsbed/bed-in-bed systeem
Deze referterubriek is enkel terug te vinden in de refertelijst Vervanging Onderste ledematen. Doordat de uitzonderingsgroep moeilijk af te bakenen is, moeten dergelijke dossiers voorgelegd worden aan de administratie. Belangrijke elementen bij de beoordeling van de noodzaak van een verzorgingsbed zijn het kunnen uitvoeren van transfers met de hoog-laag verstelling en de noodzaak van verzorging in bed. Deze elementen moeten in verhouding staan met andere hulpmiddelen en aanpassingen. De hulpmiddelenfiches vermelden enkele ruimere doelgroepen die hiervoor mogelijks in aanmerking kunnen komen

Onderhoud, herstel en aanpassingen [O/H/A] van een rolstoel
O/H/A  van rolstoelen voor personen met reuma, osteoporose, niet gestabiliseerde handicaps en evolutieve aandoeningen
Aanvragen voor O/H/A van een rolstoel voor personen met reuma, osteoporose, niet gestabiliseerde handicaps en evolutieve aandoeningen, die geen Aanvulling Onderste ledematen werden toegekend, dienen eveneens aan de administratie te worden voorgelegd. 

3. Vereenvoudigde aanvraag van hulpmiddelen en aanpassingen

In bepaalde situaties kunnen tegemoetkomingen voor hulpmiddelen of aanpassingen aangevraagd worden zonder adviesrapport van een MDT. In die situaties volstaat een gemotiveerde aanvraag, bij voorkeur aan de hand van het formulier 'Vereenvoudigde aanvraag van hulpmiddelen en aanpassingen'. Het gaat hierbij om de volgende situaties:
  • Vervanging van een hulpmiddel: een hulpmiddel of aanpassing waarvoor in het verleden een tegemoetkoming van het VAPH werd toegekend, is aan vervanging toe én de 'refertetermijn' (de gemiddelde verwachte levensduur van het hulpmiddel of de aanpassing) is verstreken. Merk op: de refertetermijn is géén hernieuwingstermijn. De vervanging van een hulpmiddel vóór het verstrijken van de refertetermijn kan wel degelijk aangevraagd en toegekend worden, maar de aanvraag dient via een adviesrapport gemotiveerd te worden. 
  • Aanvraag van eenvoudige hulpmiddelen: in het verleden werd al een tegemoetkoming voor een hulpmiddel of een aanpassing toegekend en de persoon vraagt nu een 'eenvoudig' hulpmiddel aan. Dit betekent dat de vergoeding voor dit hulpmiddel in de refertelijst maximaal € 375 bedraagt. Een uitzondering op deze regel zijn hulpmiddelen uit de domeinen communicatie, speciale bedden en anti-decubitusmateriaal. Dergelijke hulpmiddelen worden nooit als eenvoudige hulpmiddelen gezien. De eenvoudige hulpmiddelen of aanpassingen zijn in de refertelijst aangeduid met een sterretje (*).
4. Mobilteitshulpmiddelen

Voor rolstoelen, duwwagens en orthopedische driewielers zijn er specifieke voorwaarden van toepassing. Die staan beschreven in de bijlage 2 bij het (gewijzigde) Besluit voor individuele materiële bijstand van 13 juli 2001.

Voor de aanvraag van een rolstoel, elektronische scooter, duwwandelwagen of orthopedische driewielfiets is het ziekenfonds het eerste aanspreekpunt. Tegemoetkomingen voor dat soort mobiliteitshulpmiddelen behoren immers op de eerste plaats tot de bevoegdheid van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV). 

Om de procedure te vereenvoudigen, maakte het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) afspraken met het RIZIV en de ziekenfondsen. Het ziekenfonds stuurt automatisch de aanvragen door naar het VAPH, indien op het aanvraagformulier expliciet voor die mogelijkheid wordt gekozen.

Betreft het een aanvraag voor een hernieuwing van een tweede, door het VAPH al eerder gesubsidieerde rolstoel, na het verstrijken van de hernieuwingstermijn, dan kan de aanvraag rechtstreeks bij het VAPH worden ingediend met het formulier ‘Vereenvoudigde aanvraag van hulpmiddelen en aanpassingen’ aangevuld met een offerte. 

Het VAPH kan nooit een tegemoetkoming geven voor de aankoop van deze mobiliteitshulpmiddelen:

  • manuele kinderrolstoelen van de subgroepen standaard en modulaire duwwandelwagen;
  • manuele standaardrolstoelen voor kinderen van het type duwwandelwagen;
  • orthopedische driewielfietsen;
  • elektronische scooters.
Heb je vragen of opmerkingen over dit onderwerp?
Mail naar hulpmiddelen@vaph.be

Comments