Testen van hulpmiddelen

Aan het uittesten van hulpmiddelen worden een aantal eisen gesteld in het ministerieel besluit van 12 november 2010 houdende vaststelling van de minimale kwaliteitseisen voor de multidisciplinaire teams die erkend zijn door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. In artikel 4, 3° wordt het volgende bepaald:

Een hulpmiddel wordt uitgetest indien de werkzaamheid of de doelmatigheid van het desbetreffende hulpmiddel in specifieke situaties onzeker is. Het lid van het gespecialiseerd multidisciplinair team die het uittesten begeleidt en opvolgt, stelt hier steeds een verslag van op waarin minimaal volgende elementen aan bod komen: 

  • naam, voornaam en contactgegevens van het lid van het gespecialiseerd IMB team dat de test begeleidt, opvolgt en het verslag opstelt;
  • de plaats, de tijdspanne en indien relevant de omgeving waarin de test plaatsvond;
  • een beschrijving van de technische en technologische vaardigheden en beperkingen van de aanvrager in relatie tot het adequaat gebruik van het hulpmiddel of de aanpassing;
  • een beschrijving van de prognose van de functiebeperkingen van de de persoon die ondersteuning vraagt of voor wie ondersteuning wordt gevraagd in functie van het gebruik van het hulpmiddel of de aanpassing;
  • een beschrijving van het verloop van de test met specifieke aandacht voor de mate waarin de de persoon die ondersteuning vraagt of voor wie ondersteuning wordt gevraagd evolueert in de toepassing van de verschillende functies van het hulpmiddel of de aanpassing doorheen de testperiode, steeds voorzien van een gedetailleerde tijdsaanduiding van de test- en observatiemomenten; 
  • de houding van de aanvrager ten opzichte van het gebruik van het hulpmiddel of de aanpassing na de testperiode.

Dit verslag maakt deel uit van het adviesrapport. In het geval het gespecialiseerd IMB-team een test van het geadviseerde hulpmiddel onnodig of onmogelijk acht, motiveert het team deze keuze in het adviesrapport.

Ten eerste wordt in de regelgeving gesteld dat een hulpmiddel moet worden uitgetest wanneer de werkzaamheid of de doelmatigheid onzeker is. De kwaliteitseisen bepalen eveneens dat, indien het geadviseerde hulpmiddel niet werd uitgetest, de redenen hiervoor moeten gemotiveerd worden in het adviesrapport.

De toepassing van deze kwaliteitseisen houdt dus in dat de hulpmiddelendeskundige van het MDT zelf een inschatting moet maken van de werkzaamheid en de doelmatigheid van de verschillende alternatieven die bij het adviseringsproces moeten worden afgewogen. 

Indien men geen twijfels heeft omtrent het beste alternatief in een concreet dossier, wordt dit expliciet aangegeven als reden voor het niet testen in het adviesrapport.

Indien er geen zekerheid is over de beste keuze uit een aantal alternatieven, maar  testing bleek niet mogelijk (bv. omdat het hulpmiddel niet kon uitgeleend worden), dan dient dit eveneens in het adviesrapport vermeld te worden. De adviseur moet echter steeds de nodige acties ondernemen om een testing mogelijk te maken (methode van uniforme adviesverlening van het KOC) De ondernomen acties worden best ook vermeld in het adviesrapport bij de motivatie waarom niet getest werd/kon worden.

Uiteraard moeten ook andere redenen om een concreet hulpmiddel te adviseren zonder het uit te testen vermeld worden.

Voor concrete informatie over het uittesten van een specifiek hulpmiddel, neemt u best contact op met het Kenniscentrum Hulpmiddelen (KOC – e-mail: koc@vaph.be – tel. 02/225 86 61).


Heb je vragen of opmerkingen over dit onderwerp?
Mail naar koc@vaph.be
Comments